Niet toegeven aan transactivisten is essentieel voor onze vrijheid

Gepubliceerd op 5 november 2021 om 22:58

Deze week is het doek gevallen voor de Britse hoogleraar Kathleen Stock. Zij kondigde op Twitter haar vertrek aan. ’Na een vreselijke tijd’ verlaat zij de Universiteit van Sussex. Stock is op haar werk de afgelopen maand achterna gezeten door een groep anonieme activisten, die haar vertrek eiste wegens haar opvattingen over gender en geslacht. De activisten hebben een gruwelijke overwinning behaald.

Van alle activisten die zich momenteel – vooral via sociale media – roeren, zijn de transactivisten misschien wel het meest meedogenloos en succesvol. De activisten zijn lang niet altijd zelf transgenders en de transgenders die actievoeren, zijn een splintergroepje van de mensen die ooit de overstap van man naar vrouw of andersom gemaakt hebben of dat serieus van plan zijn.

Een goede kennis van mij is twintig jaar geleden van vrouw naar man getransformeerd en hij en zijn lotgenotenvriendenclub slaan de maatschappelijke veldslag rond de transactivisten met lede ogen gade. „Ik heb als puber altijd naar het mannentoilet gewild. Nu mag ik dat als man, maar krijgen we overal genderneutrale toiletten”, zo merkte hij laatst teleurgesteld op. Namens wie voeren de radicale activisten eigenlijk deze strijd?

In het gevecht voor ’transrechten’ vallen de activisten in het Verenigd Koninkrijk en Noord-Amerika op ruime schaal schrijvers, boeken en artiesten aan, die niet het ’juiste’ denken over transgenders. Kort gezegd komt het erop neer dat, in de ogen van de activisten, seksuele identiteit (gender) bepalender voor iemand is dan de biologische kenmerken (geslacht) en dat iedereen die daar anders over denkt of spreekt, zich schuldig maakt aan geweld (’microagressie’) tegenover transgenders.

Zo heeft professor Stock zich ’misdragen’ als hoogleraar Filosofie toen zij vraagtekens zette bij de invoering van een wet die kinderen vanaf iedere leeftijd wettelijk de ruimte geeft om te beslissen over het eigen gender zonder psychologische of medische diagnose vooraf. Stocks bezwaar zat ’m erin dat kinderen stadia van grote verandering meemaken, zoals de pubertijd, en dat definitieve besluiten over gender – inclusief operaties en hormoonbehandelingen – enige mate van volwassenheid vragen.

Deze mening kwam haar op doodsbedreigingen en een petitie voor ontslag te staan. De petitie werd ondertekend door zeshonderd collega’s. Zij vinden dat Stocks bezwaar ’kwetsend’ is en een bijdrage levert aan ’het marginaliseren van transgenders’. Er waren tweehonderd collega’s die het opnamen voor Stock en voor haar vrijheid van meningsuiting.

De krachtige lobby van de transactivisten en het gemak waarmee bestuurders en politici meegaan in hun eisen resulteert in regels en wetgeving die niet alleen meningen aan banden leggen, maar ook de eigen waarneming sanctioneert.

Als genderidentiteit zich verbergt achter iemands geslacht kunt u bijvoorbeeld een man zien terwijl die persoon zich identificeert als vrouw. In de ogen van de activisten is het aanspreken van deze persoon als man agressief en kwetsend. Om die reden willen zij dat we niet langer afgaan op onze waarneming, maar eerst vragen – of meegedeeld krijgen – met welk gender iemand zich identificeert.

Om de activisten daarin tegemoet te komen heeft de gemeenteraad van New York in 2015 een wet aangenomen die een boete tot 250.000 dollar mogelijk maakt voor werkgevers en huisbazen, wanneer zij tegenover werknemers en huurders bij herhaling niet de gewenste voornaamwoorden gebruiken. Om die boetes te vermijden, vragen werkgevers en huisbazen liever een paar keer te veel of de man die zij voor zich hebben, zich ook man vóelt. Ook al is een huurder of een werknemer bekend, de vraag is iedere keer opnieuw van belang, omdat genderfluïde personen regelmatig van identiteit wisselen.

Het gevecht om de ’juiste’ voornaamwoorden is ook in ons land uitgebroken en ook hier is de eerste slag voor de activisten. In Rotterdam heeft de Erasmus School of History, Culture and Communications deze week een handleidinggepresenteerd, die van de faculteit – zoals dat in het woke-jargon heet – een ’veilige plek voor iedereen’ moet maken. In de handleiding worden docenten aangespoord studenten vooraf te vragen met welke voornaamwoorden ze willen worden aangesproken. Van faculteitsmedewerkers wordt verwacht dat zij onder alle e-mails standaard hun eigen voornaamwoordenwens schrijven.

Zo wordt middels protocollen ons gedrag en taalgebruik aangepast en wie niet meedoet, maakt zich schuldig aan ’micro-agressie’ en riskeert zijn of haar baan. Het conformisme dat wordt afgedwongen, groeit snel, mede dankzij mensen die maar wat graag het goede voorbeeld willen geven. Van alle verslavingen die sociale media in de aanbieding hebben, zijn de schouderklopjes misschien wel het meest gewild.

Het grootste bezwaar tegen het gehoorzamen aan de eis om de keuze van voornaamwoorden – eerst sociaal en dan bij wet – af te dwingen is uiteraard van Orwelliaanse proporties. Het beheersen van de taal – middels verstoting of juridische consequenties – is een poging om de gedachten van mensen te beheersen.

We zien dat een minimale radicale minderheid zijn wil weet op te leggen aan de rest. Daarmee akkoord gaan uit angst of uit hunkering naar sociale acceptatie, is het droogleggen van de bron van alle vrijheid: de eigen waarneming. Op het gevaar af dat Orwell citeren een cliché is: ’De partij zei dat je het bewijs van je ogen en oren moest verwerpen. Het was hun laatste meest essentiële bevel.’ (Nineteen Eighty-Four)

 

Deze column verscheen op 3 november 2021 in De Telegraaf

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.